Zoeken in deze blog

woensdag 15 januari 2020

De klas van Fedor en Miranda. Leesfilms in de onderbouw van het basisonderwijs

Deze blog is geschreven door Erna van Koeven en gaat over het project Voorlezen op Film waarmee Fedor Baarslag afstudeerde bij de Master Leren en Innoveren (Hogeschool Windesheim). We hebben Fedor geïnterviewd en we zijn gaan kijken in de klas (groep 3) van Fedor en Miranda. Meer informatie is te vinden op https://voorlezenopfilm.weebly.com/  

Spelen en leren in de onderbouw
Als ik de school binnenkom door de onderbouw-ingang, stuit ik meteen op een boekenkast waarin een groot aantal prentenboeken aantrekkelijk is uitgestald. Fedor die -samen met Miranda- leerkracht is in de combinatiegroep 1-2-3 en daarnaast ambulant directeur van de school, legt uit dat hij het belangrijk vindt dat ouders steeds als ze hun kind wegbrengen, zien met welke boeken wordt gewerkt in de onderbouw. Zo raken ze geïnspireerd daar zelf ook mee aan de slag te gaan. Dat is extra belangrijk, omdat de school in een wijk is gevestigd waar veel kinderen niet vanzelfsprekend in een leesomgeving opgroeien. Lezen is belangrijk op de school. In de onderbouw wordt behalve met papieren boeken ook gewerkt met Wepboek (http://www.wepboek.nl/), een ICT-toepassing met mooi vormgegeven digitale prentenboeken waarbij denkvragen worden gesteld.

De groep van Fedor en Miranda maakt gebruik van twee klaslokalen en een stukje van het speellokaal waar de zandtafel en de bouwhoek zijn. In het ene klaslokaal wordt volop gespeeld. Op het digibord is een foto te zien van een grote taart met de naam van Gioya uit groep 2. Zij is vandaag zes jaar geworden. In het speellokaal is een groepje kleuters aan het bouwen. Een ander groepje verplaatst met behulp van vrachtauto’s zand. Het andere lokaal wordt gebruikt voor de instructie van de groep 3-leerlingen. Aan de wand hangen letters en op de kast grote letterplaten waarop kinderen van alle drie de groepen de letters hebben ingekleurd die ze al kennen. Fedor: ‘Lezen wordt altijd zo groot gemaakt. Je kunt het ook klein houden. Kijk eens, je hoeft maar 36 tekens te kennen om te kunnen lezen en jij kent er al 20!’ 

Voorlezen op film
Drie keer per week worden de leerkrachten van groep 1-2-3 ondersteund door een klassen-assistent. Die tijd gebruiken ze om leesfilms te maken. Ze filmen de leerlingen van groep 3 die zich volop ontwikkelen in het leesproces iedere maand een paar minuten met een Ipad. De filmpjes worden achter elkaar gezet en via de mail naar de ouders gestuurd zodat zij die thuis samen met hun kinderen kunnen bekijken. Zo kunnen ze als gezin de vooruitgang in het lezen beleven. Vandaag filmt Miranda Suze, Isa, Nomi, Nick, Koen en Jesper. Suze praat meteen honderduit als ze het instructielokaal binnenkomt. Ze vertelt dat ze de leesfilmpjes thuis samen met haar vader en moeder bekijkt. ‘Papa en mama vinden het heel knap van mij dat ik zo goed kan lezen. Zij zijn dan blij en ik voel me ook blij’. Miranda vraagt of ze het ook spannend vindt om zichzelf terug te zien. ‘Ietje pietje maar’, zegt Suze, ‘want ik heb thuis ook nog geoefend’. Miranda vertelt dat de kinderen zelf een stukje tekst mogen kiezen. Voor het lezen wordt gefilmd, oefenen ze hun tekst. Dat is de vorige dag gebeurd. Met ieder kind heeft Miranda voor het filmen een gesprekje. Het is de bedoeling dat gelezen wordt in een ontspannen sfeer en dan helpt het om samen eerst even te kletsen. Na het lezen prijst Miranda Suze en geeft haar een high five. Heel goed dat ze op het moment dat er drie puntjes in de tekst staan ook echt even stil was.

Voor het raam van het lokaal hangt een lange lijn met de namen van de kinderen en de gekopieerde kaften van de boeken die ze al gelezen hebben. Zo kunnen ze zelf zien hoeveel boeken ze uit hebben en ze kunnen elkaar vragen stellen over de inhoud van de boeken. Isa kan al heel goed lezen; ze leest boeken uit groep 5. Bij haar naam hangt een hele rij gekopieerde kaften. ‘Ik zit wel een beetje verstopt achter mijn Ipad’, zegt Miranda als ze begint te filmen. ‘Ik kan jou wel zien, maar jij mij niet’. Met Nomi bespreekt Miranda dat ze misschien al wel boekjes uit het midden van groep 4 kan proberen. Nomi vertelt dat ze de filmpjes thuis bekijkt met haar vader en moeder en haar zusje. ‘Ze zeggen tegen mij: Wat kun jij al goed lezen.’ Nick bekijkt zijn filmpjes alleen met zijn moeder. Miranda suggereert dat hij ook best opa en oma eens zou kunnen vragen om mee te kijken. Ze prijst Nick omdat aan het eind van een zin bij een vraagteken zijn stem ook echt omhoog gaat. Ze vraagt of hij het leuk zou vinden om een keer voor te lezen aan de kleuters. Nick knikt enthousiast. Na Nick komt Koen. Koen vindt het niet zo leuk om gefilmd te worden. Zijn ouders hebben Miranda verteld dat hij de vorige keer niet wilde meekijken toen zij de film gingen bekijken. Hij vindt het verschrikkelijk om een foutje te maken. Miranda vertelt Koen dat zijn moeder haar vanochtend nog  heeft gezegd hoe trots ze op hem is. Dat hij woorden al in één keer kan lezen zonder te hakken en te plakken. Koen leest tijdens het filmen langzaam en geconcentreerd. Miranda zegt hoe knap hij het heeft gedaan. Er was maar één woord waar hij even over na moest denken. Dan komt Jesper lezen. Hij komt rechtstreeks uit de bouwhoek en heeft geen tijd voor een gesprekje. Miranda heeft nog maar net de I pad in positie gebracht als hij al van start gaat.

T-PACK in het onderwijs van Fedor en Miranda
Fedor is degene die het leesproject heeft bedacht. Miranda werkte op een andere school binnen de gemeente. Ze volgde eens een workshop bij Fedor over het voorlezen op film. Ze was zo enthousiast dat -toen er een plek vrij kwam op zijn school- meteen overstapte. Nu filmt ze de leerlingen regelmatig. Fedor heeft de lerarenopleiding basisonderwijs gevolgd en daarna de master Leren en Innoveren op Windesheim. Tijdens zijn master-opleiding heeft hij praktijkgericht onderzoek uitgevoerd naar  voorlezen op film. Hij wilde leren lezen zichtbaar maken en delen met anderen, zodat de motivatie van leerlingen en de betrokkenheid van ouders zou worden vergroot. ‘Een rekensom of een spellingoefening kun je zien, lezen niet. Als je er mee stopt, is het weg. Ik zocht naar een manier om onzichtbaar leren zichtbaar te maken, om gedrag dat puurheid en passie uitstraalt, te vangen.’’ Fedor wil met zijn aanpak de nadruk leggen op wat leerlingen lukt en niet op wat nog niet lukt. Toen Fedor voor het onderwerp van zijn onderzoek koos, wist hij nog niets van TPACK. Het waren anderen die hem erop wezen dat in zijn aanpak op een heel mooie manier inhoud (lezen), pedagogiek (leren zichtbaar maken en delen met thuis) en technologie (het filmen met behulp van de Ipad) met elkaar worden verbonden. Fedor heeft het voorlezen op film op zijn eigen school en op een aantal andere scholen uitgeprobeerd. Zijn onderzoek maakt duidelijk dat het voorlezen op film en het delen van de film met ouders zorgt voor een grotere betrokkenheid van ouders en het stimuleren van het lezen thuis. Ook de self efficacy van leerlingen wordt vergroot. Fedor: ‘Je maakt vooruitgang tastbaar en dat leidt tot trots bij ouders en leerling, tot een gevoel van ‘ik kan lezen’ en uiteindelijk misschien ook wel tot betere leesresultaten.’ Van Fedors aanpak is een filmpje gemaakt voor de onderwijssite Leraar24 (https://www.leraar24.nl/kijk-mij-voorlezen-op-film/). Daar vertelt een ouder dat hij het een geweldig concept vindt. Zijn zoon vindt het leuk om bij meester Fedor te lezen en is apetrots  wanneer hij het filmpje laat zien. Bovendien vindt hij het geweldig om als vader samen met zijn zoon de filmpjes te bekijken. Een moeder zegt dat haar zoontje thuis niet zoveel vertelt en dat ze door de leesfilmpjes ineens betrokken raakt bij zijn leesontwikkeling.

Didactisch redeneren
Didactisch redeneren is een tweede natuur geworden voor Fedor. Hij kan heel precies uitleggen welke keuzes hij binnen zijn project maakt als het gaat om inhoud, pedagogiek en technologie. Dat blijkt bijvoorbeeld bij de vraag waarom Fedor en Miranda de filmpjes niet eerst met de leerlingen bekijken voordat ze naar de ouders worden gestuurd. De leerlingen leren misschien ook door de filmpjes  met de leerkracht te bekijken of ze in de groep te bespreken en elkaar complimenten te geven. Fedor: ‘Dat doen we bewust niet. We hebben gemerkt dat als je met deze jonge kinderen  de filmpjes eerst op school bekijkt, het verrassingseffect weg is. Ze hebben dan soms geen zin om thuis nog een keer te kijken.’ Hij vertelt dat hij de filmpjes alleen met leerlingen bekijkt als daar een goede reden voor is. Bij een leerling als Koen kiest hij er bijvoorbeeld juist wel voor een filmpje eerst samen te bekijken. ‘Koen is perfectionistisch en ook een beetje faalangstig. Hij durft niet goed naar zijn eigen filmpjes te kijken. Dan helpt het wanneer je als leerkracht samen met de leerling een filmpje alvast in een positieve sfeer bekijkt. Dan kun je alles wat goed gaat benadrukken. Zo wordt het voor een leerling als Koen gemakkelijker om het filmpje thuis te bekijken.’ Fedor kiest ook wel eens een aantal filmpjes om als voorbeeld aan een klas die gaat starten met voorlezen op film te laten zien. Hij bespreekt dan met de leerlingen of ze het goed vinden dat anderen hun filmpje zien. Hij heeft gemerkt dat het belangrijk is om rond het filmen nadrukkelijk aandacht te besteden aan het klassenklimaat. ‘Zo’n leesfilmpje heeft mooie kanten. Je geeft er leerlingen het vertrouwen mee dat ze kunnen lezen. Maar het kan ook overweldigend zijn en hard aankomen. Het is niet de bedoeling dat de kinderen om elkaar lachen.’

Op weg naar een High Possibility Classroom (HPC)
Fedor en Miranda passen in het leesproject een aantal van de kenmerken van een HPC toe. HPC is een concept uit het onderzoek van Jane Hunter (2015). Zij benoemde daarin 5 grote uitgangspunten met in totaal 22  mogelijke functies van technologie om het leren te bevorderen. Fedor en Miranda laten een aantal van die functies zien. Zo maken ze het leren zichtbaar; dat leidt tot meer betrokkenheid. Bovendien zorgen ze voor plezier in leren. Door de verbinding met thuis breiden ze  de leertijd van leerlingen uit. Hoe kijkt Fedor zelf naar zijn project? ‘Ik ben er nog steeds heel positief over, maar ik wil verder. Ik zou de wederkerigheid tussen thuis en school nog meer willen benadrukken. Wij maken de filmpjes en sturen die naar huis. Maar leerlingen zouden op school ook filmpjes of foto’s van thuis kunnen laten zien.’ Daarnaast geeft Fedor aan dat hij graag zou willen dat het filmen iets wordt van de leerlingen zelf. ‘Nu ben ik degene die de film maakt, maar eigenlijk zou een leerling dat zelf moeten doen, alleen of samen met een andere leerling. Een filmpje moet niet mijn ding zijn, maar dat van de leerlingen. Het is hun bewijsmateriaal, zij zijn er eigenaar van, ik wil alleen een positieve getuige zijn. Ik weet dat het kan, maar ik ben er nog over aan het puzzelen hoe ik dat vorm ga geven.’ Verder zou hij het project graag willen verbreden. Onze leerlingen hebben nu al een portfolio waarin ook foto’s zijn opgenomen waarop ze trots vereeuwigd zijn met hun ingekleurde letterkaart: Welke letters ken ik allemaal al? Dat portfolio zouden we digitaal willen maken. Dan kunnen we er de leesfilmpjes in opnemen.’ Ook zou hij bij de portfolio’s meer eigenaarschap willen. Hij zou graag willen dat leerlingen zelf kunnen kiezen wanneer ICT wordt ingezet om hun leren in beeld te brengen en zelf de handelingen verrichten om dat te doen. Fedor vertelt dat hij bovendien kleuters graag meer zou betrekken bij het zichtbaar maken van leren en dat ouders hem al hebben gevraagd waarom hij het filmen niet doortrekt naar de middenbouw en de bovenbouw? De leerlingen in de middenbouw hebben allemaal een Ipad en die in de bovenbouw een chromebook. Nu gebruiken ze die vooral voor methodesoftware, maar het team is aan het oefenen met het maken van vlogs en stopmotion-filmpjes. ‘Als we de techniek onder de knie hebben, gaan we ons -net als bij het voorlezen op film- richten op inhouden en toepassingen die het leren van kinderen bekrachtigen.’

woensdag 27 november 2019

Het verhaal van de verdrietige voorloper (die ook heel hoopvol is)

Dit verhaal is geschreven door Anneke Smits vanuit verbazing. Verbazing over het feit dat we, na 30 jaar ICT-implementaties in het hbo, degenen die zich met ICT bezighouden nog steeds  'voorlopers' noemen. 

Midden jaren tachtig begon mijn verhaal met ICT in het onderwijs. We kregen drie computers op onze school voor voorgezet speciaal LOM-onderwijs. En één van de drie was voor mij, omdat niemand anders hem wilde hebben. Ik gebruikte die computer om dyslectische leerlingen te leren lezen en spellen. En was daarmee meteen, gewild of ongewild, een voorloper. In het jaar 2000-2001 deed ik een onderzoek naar het effect van spraakherkenningssoftware en tekst-naar-spraak op het leesniveau en het schoolse leren van dyslectische leerlingen. Een positief effect en dat bleek niet alleen uit mijn onderzoek… Tot op de dag van vandaag wachten we op brede acceptatie en implementatie van dit soort software die zoveel kan betekenen voor dyslectici en die inmiddels veel goedkoper en gewoner is geworden.

Toen ik op de hogeschool kwam werken, werd me vrijwel meteen gevraagd om de rol van voorloper op me te nemen voor onderwijs en ICT. Ik zou een mooi rolmodel zijn: vrouw en ook nog uit het speciaal onderwijs: een onwaarschijnlijke ICT-gebruiker. Mijn collega’s zouden zich gemakkelijk met mij kunnen identificeren. Ik deed het. Omdat ik met eigen ogen en van dichtbij de kracht van ICT voor leerprocessen had gezien. Ik bracht ondersteuning dichtbij mijn collega’s en hielp ze met ideeën over het inzetten en het gebruik van de twee opeenvolgende ELO-omgevingen en andere software en hardware.

Misschien vraag je je af: waar zit nu dat verdriet? Het is toch mooi om een voorloper te zijn? Het heeft wel iets nobels en dappers. Of toch niet? Tja, helaas, ik ging twijfelen: helpt die voorloper eigenlijk wel om tot brede en zinvolle implementatie van technologie in het onderwijs te komen? Of kan die voorloper soms ook een alibi vormen voor anderen om niet mee te gaan? Een dierbare collega docent verwoordde het per ongeluk en heel spontaan bij een kopje koffie een keer zo: 'nou ja, de mensen die in de afdeling veel met ICT doen, dat zijn de nerds, zo bèn ik niet, daar wil ik niet bij horen'. Kennelijk heeft ICT-gebruik in het onderwijs ook te maken met identiteiten die zich vormen en die steeds vaster lijken te gaan zitten. Ik ben wel/niet van de ICT. Zijn voorlopers toch niet te gecentreerd op de technologie? En houden voorlopers niet mede een systeem in stand waarin anderen zich niet verantwoordelijk kunnen/hoeven voelen voor de zinvolle integratie van ICT in het onderwijs? De innovatietheorie (van Rogers) over voorlopers heeft het niet alleen over voorlopers, maar ook over volgers en over late volgers… Maar wie wil er die weinig heldhaftige rol van volger of van late volger? Is dat wel een rol die past bij professionals in het Nederlandse hoger onderwijs?

Als voorlopers weggaan, staat er bij ons op de hogeschool wel weer iemand anders op die voorloper wordt en dan is alles weer netjes en stabiel geregeld. Op veel plekken zie je die enkelingen die heel veel uitproberen en anderen helpen en stimuleren in hun ICT-gebruik. Dat zou zo prachtig zijn, als het niet al (bijna) 30 jaar zo ging. De theorie van Rogers lijkt een belofte in te houden: er komen volgers (hoewel dat natuurlijk alleen onder voorwaarden gebeurt). Een belofte die, in ieder geval voor een groot gedeelte, in de wereld van onderwijs en ICT niet bewaarheid is geworden. Dat blijkt wel nu er zo’n 30 jaar na de invoering van ICT in het onderwijs door Surf een Versnellingsplan wordt uitgerold. En het wordt ook duidelijk als je ziet dat er 30 jaar na dato nog steeds zoiets als een voorlopersgroep bestaat voor ICT in het onderwijs. Ik zou willen voorstellen dat we het niet meer over voorlopers hebben. Wat in het oog springt, zijn niet de voorlopers. Het zijn de achterblijvers en de vraag naar het waarom van dat achterblijven.

Is er dan niets bereikt in die 30 jaar? Nou, zeker wel. Dat weet een ieder die werkt in het hoger onderwijs. ICT wordt op zeer grote schaal toegepast en ondersteund. ELO’s, cijfersystemen en intranet zijn gemeengoed, Powerpoint, YouTube, Socrative, Mentimeter en het digibord vieren hoogtij. Er wordt steeds meer gebruik gemaakt van multimedia. De vraag is al lang niet meer of we ICT gebruiken in het onderwijs, maar de vraag is wel welke ICT,  in welke leerarrangementen, waarom en met welk effect op het leren. Als we kijken naar Nederlandse onderzoeken over ICT-gebruik door leraren en docenten en hun pedagogisch/didactische redeneringen daarover (Heitink et al., 2016; Voogt etal., 2016), dan zien we dat er vooral ICT gebruikt wordt die past bij het traditionele paradigma van kennisoverdracht. Redeneringen over ICT-inzet van leraren en docenten tonen vaak weinig diepgang. Je zou kunnen zeggen dat de ICT die breed beschikbaar is op scholen ons stevig vasthoudt in, of zelfs terugwerpt op een eenzijdige focus op kennisoverdracht en drill en practice. In die zin doet het ons denken aan de vragen van McLuhan en McLuhan (1988, p.7) over technologie, en dan in het bijzonder aan de derde vraag:
  1. What does (the technology) enhance or intensify?
  2. What does it render obsolete or displace?
  3. What does it retrieve that was previously obsolesced?
  4. What does it produce or become when pressed to an extreme?
Toch gloort er hoop. Docenten in het hoger onderwijs zijn wel vernieuwend in het algemeen, alleen vaak niet zo ten aanzien van ICT-gebruik. Het leren van studenten en hun voorbereiding om te functioneren in de maatschappij gaan docenten zeer ter harte. Nieuwe benaderingen die complexe good practices laten zien in rijke leeromgevingen, blijken groepen docenten te kunnen inspireren om ander onderwijs te ontwerpen. We denken hierbij bijvoorbeeld aan het werk van Jane Hunter: High Possibility Classrooms en het werk van Liz Kolb: The Triple E framework. Er is steeds meer aandacht voor het didactisch redeneren, en voor inbedding van technologie in rijke leerarrangementen, vanuit een constructivistisch paradigma, met oog voor ‘practicality’. Overigens is het natuurlijk zeker zo dat er al voorbeelden zijn van deze manier van werken, maar binnen hogescholen lijkt het niet de mainstream te zijn. Met kracht zijn devices, ELO’s en digiborden gepusht, en ook blended learning en flexibilisering, maar aandacht voor het didactisch redeneren en didactisch ontwerp, affordances voor het leerproces, en onderliggende leerprincipes is niet de mainstream.

Je zou ook kunnen zeggen dat we als voorlopers soms ongewild te technologisch en te abstract zijn geweest (zelfs als we dat niet bedoelden) en niet altijd voldoende praktisch toepasbaar en zinvol in de uiterst vakspecifieke situatie van docenten. Hoeveel goede voorbeelden van rijke leeromgevingen met ICT voor hun studenten hebben zij eigenlijk van dichtbij gezien? Docenten houden van hun vak en van het leren van studenten, dat moet aanknopingspunten bieden voor zinvolle technologie-integratie.

Referenties:

Heitink, M., Voogt, J., Verplanken, L., Van Braak, J., & Fisser, P. (2016). Teachers’ professional reasoning about their pedagogical use of technology. Computers and Education, 101, 70–83. http://doi.org/10.1016/j.compedu.2016.05.009
Hunter, J. (2015). Technology integration and high possibility classrooms. Building from TPACK. New York: Routledge.
Kolb, L. (2018). Learning first, technology second. Arlington, VA: International Society of Technology in Education.
Voogt, J., Sligte, H., van Den Beemt, A., van Braak, J., & Aesaert, K. (2016). E-didactiek: welke ict-applicaties gebruiken leraren en waarom? Amsterdam: Kohnstamm Instituut.

woensdag 16 oktober 2019

Een nieuwe blog over Onderwijsinnovatie en ICT

In deze blog doen we verslag van het werk van het lectoraat Onderwijsinnovatie en ICT van de Hogeschool Windesheim. Op onze site is meer informatie te vinden over het lectoraat. Ook is er een link naar de lectorale rede van Anneke Smits (lector) opgenomen. In deze eerste blog (geschreven door Erna van Koeven en Anneke Smits) starten we met onze ervaringen met ICT in het onderwijs.

Hoe vaak hoor je onderwijsmensen -als je als lerarenopleider tijdens een presentatie een ICT-toepassing gebruikt- niet angstig zeggen: 'Uh, ik weet niet of dat lukt, ik ben digibeet'? Waarop je haastig vertelt dat je zelf ook niet altijd even handig bent met ICT, maar dat deze tool echt waar heel gemakkelijk toepasbaar is... En vervolgens verbaas je je erover dat al die digibeten in hun onderwijspraktijk de hele dag werken met de software van methode-ontwikkelaars. Geen kind dat in het basisonderwijs nog leert lezen zonder de digitale leerkrachtassistent van Veilig Leren Lezen. Geen student die in het mbo geen grammatica oefent met behulp van een software-pakket bij de methode Nederlands. En je verbaast je opnieuw als al die ICT-gebruikers het vervolgens maar ingewikkeld blijken te vinden om uit te leggen waarom ze die software eigenlijk gebruiken, wat de kwaliteit ervan is en hoe juist deze software het leren van leerlingen bevordert.

'Student mbo: Ik ben helemaal zat van Kahoot. Als een leraar daarmee aankomt, hoor je gezucht in de hele klas.' 

ICT-ontwikkelingen hebben diepgaande invloed op de wijze waarop onze samenleving is ingericht  en op ons dagelijks leven. Maar ook in het onderwijs worden ICT-middelen op allerlei manieren ingezet: om lessen te verlevendigen, om onderwijsinhouden te verrijken, om leerlingen te ondersteunen, om mee te trainen, om te flexibiliseren of om leerprocessen en leerresultaten weer te geven. Leraren maken de hele dag keuzes op het gebied van ICT en lerarenopleidingen zijn bij uitstek in de positie om scholen en leraren te helpen met die keuzes.

'Leerling basisonderwijs (groep 5): 'Wij mochten op school met de 3d-printer een personage printen. Daar gingen we een digital story mee maken. Super gaaf!'   

Over beredeneerd ICT-gebruik in het onderwijs is veel te zeggen en te schrijven. Dat gaan we doen in deze blog. 'We' zijn lerarenopleiders, medewerkers van LAB21 (het Windesheim-innovatiecentrum voor ICT in didactiek en begeleiding) èn leden van de kenniskring van het lectoraat Onderwijsinnovatie en ICT met sinds augustus 2019 Anneke Smits als lector. 'We' zijn Roland Bruijn, Jeroen Clemens, Pamela den Heijer, Herma Jonker, Tineke Kingma, Erna van Koeven, Henk La Roi, Marianne Lok, Erik Meij, Bruno Oldeboom, Diane van der Linde, Floor van Renssen, Marieke Veltman en Joke Vos.

Student mbo: 'Ik heb een digitaal portfolio gemaakt met padlet. Er zitten zelfgemaakte teksten en filmpjes in. Wil je het zien?' 

In het lectoraat Onderwijsinnovatie en ICT houden we ons bezig met de vraag hoe het hoger onderwijs door flexibilisering beter kan worden afgestemd op een toenemende diversiteit aan studenten, bijvoorbeeld door blended learning en afstandsleren. Verder kijken we naar docentcompetenties en ICT-integratie in de praktijk van onze lerarenopleidingen en het onderwijsveld. We helpen (aankomende) docenten om op een pedagogisch/didactisch beredeneerde manier om te gaan met vernieuwingen en ICT in het onderwijs. En we richten ons op 21e-eeuwse vaardigheden en digitale geletterdheid.

Student pabo: 'Gek hè, ik heb een rondleiding gehad op een ipad-school, maar ik vond het onderwijs daar eigenlijk ouderwetser dan op een gewone school. Je had er allemaal losse workshops waarbij leerlingen lesjes maakten op hun ipad.'   

In deze blog doen we verslag van onze projecten en ervaringen. Wat we daarmee beogen? Voor ons staat niet het ICT-gebruik op scholen centraal, maar de vraag hoe we onderwijs kunnen ontwerpen en implementeren (al dan niet met ICT) dat leidt tot duurzaam leren. Onze zoektocht en onze bevindingen delen we graag met iedereen die daar interesse voor heeft.